woensdag 26 april 2017

Is een gastouder een ondernemer? 

Dit is wat de rechter er van vond.

In deze uitspraak van de Rechtbank Zeeland West Brabant wordt door de gastouder gesteld dat ze wel degelijk  een ondernemer is, en dus recht heeft op zelfstandigenaftrek, starterskorting en andere ondernemersfaciliteiten. 

De inspecteur heeft, zo valt op te maken uit het stuk, bedacht dat werken voor een gastouderbureau betekent dat je niet zelfstandig bent. Maar de Rechtbank volgt dat niet. Die vindt dat mevrouw aan alle voorwaarden voor het ondernemerschap voldoet, en dat het samenwerken met een gastouderbureau geen vrije keuze is. Het is immers bij wet voorgeschreven dat via een gastouderbureau moet worden gewerkt, en welke taken dat bureau dan uitvoert.

Nu de onderneemster, want dat is ze, zelf voor klanten heeft gezorgd, ook voor andere gastouderbureaus zou kunnen werken, bij ziekte niet doorbetaald krijgt, zelf aansprakelijk is voor de kinderen, niet betaald krijgt als de klant niet betaalt, vindt de Rechtbank dat ze ondernemersrisico loopt, en dus recht heeft op de faciliteiten die daar bij horen.

Interessant is nog dat de rechtbank niet meer toekomt aan het beoordelen van : "Tot slot stelt belanghebbende dat de inspecteur bij het doen van uitspraken op bezwaar de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, meer in het bijzonder het motiverings- en het zorgvuldigheidsbeginsel en het handelen zonder vooringenomenheid, heeft geschonden."

Gastouders zijn dus, als ze voldoen aan de door de rechtbank geschetste criteria, ondernemers, en dat scheelt een hoop belasting.

donderdag 6 april 2017

De rechter en de inhoud van het inspectierapport


Je kunt niet in beroep tegen het rapport, maar er gelden wel zorgvuldigheidseisen


Kinderdagverblijf Pluto uit Oirschot heeft gedaan wat maar weinigen doen in de kinderopvangbranche: doorprocederen tot aan de Raad van State omdat je vindt dat je gelijk hebt. En vervolgens nogbijzonderder: gelijk krijgen. En dat is wat mij betreft een feestje waard,niet alleen voor Pluto, maar voor iedereen in de branche.

Ik heb ze dus gefeliciteerd, en even gevraagd wat ze er nu eigenlijk van vond. Nou, de rechtszaak was best gemakkelijk geweest, de rechters vroegen vooral veel aan de GGD en aan de gemeente, die moesten vertellen hoe ze precies te werk waren gegaan.

Die hadden in het inspectierapport opgenomen: 
"De houder heeft het vierogenprincipe (nog) niet geïmplementeerd. 

Op basis hiervan is geconstateerd dat aan de volgende voorwaarde(n) niet is voldaan: 
De houder organiseert de opvang op zodanige wijze, dat de beroepskracht of de beroepskracht in opleiding de werkzaamheden uitsluitend kan verrichten terwijl hij gezien of gehoord kan worden door een andere volwassene. (art 1.49 lid 1 en 1.50 lid 2 Wet kinderopvang en kwaliteitseisen peuterspeelzalen; art 2 lid 3 Besluit kwaliteit kinderopvang en peuterspeelzalen; art 5a Regeling kwaliteit kinderopvang en peuterspeelzalen)"

En daar vonden de rechters wel iets van: "Het had op de weg van de toezichthouder gelegen om tijdens de inspectie hierover door te vragen en de conclusie in het onderzoeksrapport nader te onderbouwen. Nu hij dit heeft nagelaten, had het college het inspectierapport niet zonder meer aan zijn besluitvorming ten grondslag mogen leggen. "

En dat vonden ze op basis van:
"Ingevolge artikel 1.64, eerste lid, van de Wkkp gelezen in samenhang met artikel 7, tweede lid, onder h, van de Beleidsregels werkwijze toezichthouder kinderopvang en peuterspeelzalen 2013 bevat een inspectierapport een inhoudelijke beschouwing, waarin de conclusies logisch volgen uit de onderzoeksresultaten."

En dat laatste is winst voor iedereen die met inspectierapporten te maken heeft. Want in de praktijk staan er nog wel eens conclusies in de rapporten die niet direct door de observaties en de bespreking daarvan gedragen zijn. Door nu in dit arrest op te nemen dat er in elk geval een logische redenering tussen de gedraging en het ten laste gelegde feit moet zijn zorgt de Raad voor wat meer duidelijkheid. Overigens mag, als het rapport niet duidelijk is, het college dat natuurlijk nog wél in zijn besluit verduidelijken. Dan moet in dat besluit duidelijk worden waarom de gedraging beschouwd wordt als een overtreding van de voorschriften.